Veerkracht en participatie

Veerkracht en participatie

Met de instemming van de Eerste Kamer (22 maart 2016) is de invoering van de Omgevingswet weer een belangrijke stap dichterbij. Veerkracht en participatie zijn daarbij twee begrippen waar regelmatig aan wordt gerefereerd in de pers. Als een systeem veerkrachtig is, is het in staat om externe en interne shocks nu en in de toekomst te absorberen. We vinden dit begrip dan ook steeds vaker terug als kwaliteitscriterium voor overheidsopgaven. Voorbeelden zijn te vinden in natuur- en wateropgaven (robuuste systemen die meebewegen met klimaatveranderingen), woningbouw (levensloop bestendig bouwen) en infrastructuur (Beter Benutten) et cetera. Participatie wordt beschouwd als een belangrijk middel om tot veerkrachtige systemen te komen. Maar worden veerkracht en participatie voldoende gefaciliteerd door de huidige wet- en regelgeving?

Laten we het erop houden dat de mogelijkheden in ieder geval niet ten volle worden benut. De nieuwe Omgevingswet tracht hier verandering in aan te brengen. Deze heeft als uitgangspunten: minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk en vertrouwen. Burgers en bedrijven krijgen meer ruimte voor flexibiliteit en innovatie en er wordt een grotere rol aan participatie toegekend. Het Sociaal Cultureel Planbureau geeft in haar analyse van het Omgevingsbestel (‘Niet buiten de burger rekenen!) aan dat participatie in toenemende mate van belang is voor ruimtelijke ontwikkelingen. Zij vreest dat de vaak eenzijdige betrokkenheid bij participatieprocessen leidt tot sociale- en culturele ongelijkheid. Die zorg delen wij niet.

Geen zorgen, gewoon professioneel aanpakken

De Omgevingswet doet een groot beroep op verbetering en innovatie van participatietrajecten waarin burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties een rol vervullen. Voor wat betreft verbetering en innovatie leggen wij het accent op het lokaal bestuur. Nu en in de toekomst zullen hier voor de burger de meest direct bindende besluiten worden genomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verlenen van een bouwvergunning.

Het feit dat de Omgevingswet 26 wetten in één verenigt, betekent ook dat het aantal afzonderlijke plannen voor water, natuur, milieu, ruimtelijke ordening et cetera fors kan afnemen tot één omgevingsplan. Het aantal participatietrajecten dat noodzakelijk is neemt daarmee aanzienlijk af en zorgt ervoor dat er vanuit verschillende besluitvormingstrajecten minder beslag wordt gedaan op de inzet van burger, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Het biedt daarnaast ruimte om te investeren in de kwaliteit en professionaliteit van de participatie, bijvoorbeeld op basis van de principes van ‘Verbindend Onderhandelen’, waar naast het draagvlak (meningen) ook de haalbaarheid (feiten) een belangrijke rol speelt. Vooral die feitelijke onderbouwing kan balans brengen in participatietrajecten met het oog op eventuele sociale en culturele ongelijkheid. Ook over de randvoorwaarden voor een goed participatieproces is inmiddels wel het nodige bekend. De 7 T’s voor procesmanagement (thema, timing, tempo, toegang, toneel, toon en tol) bieden de nodige houvast.

Voor gemeenten is het te overwegen om nog een stap verder te gaan en participatie niet meer rondom concrete plannen of projecten te organiseren, maar bijvoorbeeld jaarlijks actief in gesprek te gaan met burgers zodat het duidelijke wordt welke onderwerpen er spelen in de samenleving. Het is niet de eerste zorg van burger en bedrijven om te weten volgens welk plan of procedure een ontwikkeling gestalte zal krijgen. Het gaat er in het participatie proces vooral om dat hun belangen en argumenten gehoord worden. Uiteraard moet aan het eind van elk participatieproces wel volstrekt helder zijn hoe de formele besluitvorming zal plaatsvinden.

Gaat het organiseren van een goed proces in het kader van ruimtelijke plannen en projecten dan vanzelf goed? Nee, ook dit vergt aandacht. Toenemende participatie van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties vraagt een andere rol van de gemeenteraad. Het wordt nog belangrijker om vooraf heldere kaders te definiëren. Op hoofdlijnen weliswaar zodat er voldoende ruimte voor participatie overblijft. Daarnaast blijft de toetsing achteraf van groot belang. Daarbij zal het accent van de gemeenteraad waarschijnlijk wat verschuiven van volksvertegenwoordiging naar meer toetsing van de kwaliteit van het participatieproces en de juridische houdbaarheid van de voorgelegde besluiten.

Samengevat

Net als het Sociaal Cultureel Planbureau verwachten ook wij dat participatie – terecht – belangrijker wordt bij de invoering van de omgevingswet. De gevreesde sociale en culturele ongelijkheid echter, kan volgens ons goed worden voorkomen door te investeren in de kwaliteit van het participatieproces en een aanscherping van de rol van de gemeenteraad. Daar staat tegenover dat er meer beroep zal moeten worden gedaan op de goede (verbindend)onderhandelingsvaardigheden van ambtenaren en de juiste tools voor gemeenteraden voor het zorgvuldig beoordelen van de kwaliteit van participatieprocessen. Zo brengt participatie ons een stukje dichter bij een veerkrachtige samenleving!

Peter Prins en Mirrijn van Eijk