Procesontwerp vitale binnensteden 2015

Procesontwerp vitale binnensteden 2015

Nieuwe symptomen

De recente nieuwsberichten over de neergang van V&D en Blokker zijn symptomen van de snelle en ingrijpende verandering in koopgedrag. De gevolgen daarvan worden meer en meer merkbaar in onze leefomgeving. Er vallen gaten in ons ‘centrum’ die niet snel meer worden gevuld en dan vaak met dienstverlenende in plaats van detailhandelsfuncties.

Overheid: doe iets?

Onze nationale reflex is om dan de gemeente te vragen wat zij daaraan gaat doen. Maar deze staat met lege handen: geen positie, geen geld, geen kennis, geen invloed, geen capaciteit. Op haar beurt doet de gemeente een beroep op het Rijk om de handschoen op te pakken. Minister Kamp lijkt dat inderdaad te doen. Op zijn initiatief onderhandelen een aantal partijen* al enkele maanden onder de noemer Retailagenda. De vraag is alleen of bij deze top-down aanpak instrumenten gekozen worden die echt gaan werken.

Ook in de partijprogramma’s voor de verkiezingen van Provinciale Staten op 18 maart 2015 speelt het onderwerp vaak een rol, meestal gelabeld als bestrijden van winkelleegstand. Linksom of rechtsom gaat er rond dit onderwerp in gemeenten dus reuring ontstaan.

Beter bottom-up

In een opdracht voor de Stadsregio Rotterdam heb ik de afgelopen twee jaren 15 samenwerkende gemeenten geholpen bij de bestrijding van winkelleegstand in zo’n 30 (sub-)centrumgebieden. Mede door die ervaring heb ik inzicht gekregen in de kern van het achterliggende vraagstuk. Belangrijk is dat een aanpak niet slechts leidt tot cosmetische vernieuwing, maar een antwoord biedt op de structureel nieuwe rol van de fysieke winkels. Meestal is inkrimpen van het aantal m²’s winkel daarbij nodig. Wat daarvoor terug komt is ruimte voor nieuwe werk-, woon- en productiefuncties, waaraan latente behoefte is

De sleutel tot een succesvolle aanpak is om bottom-up te werken. Faciliteiten bieden aan ‘lokale energie’ en ‘local heroes’ onder de (commerciële- en cultuur)ondernemers en eigenaren. Daar zit het oplossend vermogen in besloten. Op het faciliteren daarvan moet een overheidsinterventie zijn gericht. Een top down aanpak leidt tot verspilling van geld en menselijke energie. Overheden moeten leren om die nieuwe rol te spelen

Het gaat om smart en sfeer

De digitalisering van de productie- en consumptieketens is niet alleen een belangrijke oorzaak van de hierboven kort geschetste uitdaging; daarin zit ook een belangrijke oplossing.

Voor steeds meer van hun aankopen gebruiken consumenten internet als beginpunt van hun zoektocht. Dit al of niet als reactie op pushberichten. We kopen nu zo’n 10 van onze aankopen online.
Dagelijkse artikelen en bijzondere aankopen in mode, persoonlijke verzorging worden vooral nog in fysieke winkels in de omgeving gekocht. Daarvoor blijft nu ook meer tijd over! Bovendien is de zondag er op veel plaatsen bij gekomen als aankoopdag.

Steeds meer wordt ‘shoppen’ hierdoor een combinatie van winkelen en recreëren. Daarmee wordt de combinatie van het juiste winkel- en recreatie-aanbod bepalend voor de keuze wáár ‘geshopt’ wordt. Een keuze die ook steeds meer via online mobiele informatie gemaakt wordt. Het labyrint aan Apps is een poging tot een antwoord daarop. De technologische mogelijkheden, aangevuld met slimme business-initiatieven om de werelden van fysiek en online winkelen te vervlechten, worden wel aangeduid als ‘Smart shoppen’.

Zo profileren Den Haag en Utrecht zich met open wifi in hun centrumgebieden en zijn op zoek naar nieuwe diensten die mede dankzij die faciliteit aan klanten geleverd kunnen worden om de consument te verleiden te komen en te kopen. Om een centrumgebied in ons compacte land met veel steden concurrerend te houden helpt het om shoppen verder te verbinden aan events, aan cultuur, aan mobiliteit, aan verblijf- en horeca, kortom ‘sfeer’.  De kunst is om je gebied op te laten vallen tijdens de zoektocht op mobiel online platforms, waar de proposities, ‘verpakt’ vanuit de ‘gebiedsmerken’ snel langsgelopen en vergeleken kunnen worden. Zo is Utrecht bezig om haar centrum op te delen in verschillende kwartieren met specifieke karakteristieken die daardoor gemakkelijker gecommuniceerd kunnen worden met doelgroepen daarvoor. De volgende stap is een mobiel online platform waarop snel vergeleken kan worden.

Eerst merk en samenwerking, dan de plek

Om op een gezonde wijze het vitaliseren van centrumgebieden op gang te brengen zouden financiële faciliteiten geboden moeten worden aan partijen die vanuit hun bewezen performance binnen een centrumgebied het initiatief willen nemen. Zij vormen immers de potentiele basis om te werken aan een herkenbaar lokaal merk.

Bij de zoektocht daarnaar moeten zij parallel daaraan zich organisatorisch en financieel willen verbinden aan de andere partijen die daarvoor een bijdrage moeten gaan leveren zoals collega winkeliers, eigenaren, mobiliteitspartijen, cultuur- en event partijen, gemeente e.a. Merk, samenwerking (via bijvoorbeeld Bedrijfs Investerings Zone of  Ondernemersfonds) en adequate communicatieplatforms, waar vraag en aanbod online mobiel regionaal worden gelinked, moeten borgen dat het ’merk’ dagelijks zichtbaar kan worden waargemaakt.

Pas dan is het goed mogelijk om gericht de fysieke consequenties te gaan invullen door een programma van initiatieven gericht op hergebruik, vervanging, vernieuwing enz. Dat is de procesvolgorde. En als een dergelijke basis niet gelegd kan worden is het weinig efficiënt om met overheidsgeld te gaan interveniëren in ‘leegstand’. In de Retailagenda van het Rijk en de initiatieven van de nieuwe GS-colleges zou op deze wijze op het onderwerp moeten worden ingehaakt.

* Detailhandel Nederland, Thuiswinkel.org, IVBN, Vastgoedbelang, MKB Nederland, VNO-NCW, Rabobank, IPO, VNG, G32 stedennetwerk

Wim van Veelen – ex procesmanager p2