Van ´sober en doelmatig´ naar ´mooi en goed´.

Van ´sober en doelmatig´ naar ´mooi en goed´.

Een pleidooi voor meer ruimtelijke kwaliteit bij waterveiligheidsopgaven

Ik maak me zorgen over de borging van ruimtelijke kwaliteit in onze waterveiligheidsopgaven. Met het ‘sober en doelmatig’ beginsel in het Deltaprogramma - één van de grote ruimtelijk landschappelijke opgaven voor de komende decennia - is dit alleen maar groter geworden. Terwijl het voorgaande programma Ruimte voor de Rivier ruimtelijke kwaliteit als tweede doelstelling benoemde, lijkt nu ruimtelijke inpassing een doekje voor het bloeden. En ook het benutten van meekoppelkansen wordt als risico gezien.

Twee landschapsarchitecten op een totaal van circa 14.000 medewerkers bij de huidige waterschappen, is volstrekt ontoereikend
- Eric Luiten, rijksadviseur Landschap en Water

Eric Luiten, rijksadviseur Landschap en Water, nam afscheid van het College van Rijksadviseurs. In zijn afscheidsrede nam hij 10 stellingen over de borging van ruimtelijke kwaliteit in Nederland onder de loep. De waterschappen worden in de uitwerking en uitvoering van het Deltaprogramma in hoge mate verantwoordelijk voor ons cultuurlandschap. Luiten stelt: “twee landschapsarchitecten op een totaal van circa 14.000 medewerkers bij de huidige waterschappen, is volstrekt ontoereikend”. Ik deel zijn mening. 

In het afscheidsmagazine blikt het College van Rijksadviseurs terug op de periode 2012 – 2016. Ze halen cases aan waar ruimtelijke kwaliteit zorgde voor verbinding tussen losse opgaven en in samenhang een meerwaarde heeft gecreëerd. Bijvoorbeeld de aanpak van Ruimte voor de Rivier, waarin waterveiligheid werd gekoppeld aan natuur, recreatie, landschap en zelfs stedelijke ontwikkeling. Deze projecten zijn sneller, beter en met draagvlak gerealiseerd.
In het magazine pleit het College voor een hernieuwde, actieve en coördinerende rol van de Rijksoverheid. Denk aan: de zorg voor ruimtelijke kwaliteit, zeker in de majeure ruimtelijke opgaven waar Nederland voor staat. En aan de stedelijke groei en regionale krimp, mobiliteitsvraagstukken, waterveiligheid en het watersysteem, de energietransitie en het natuurnetwerk. Kwaliteit moet volgens het College weer een thuishonk krijgen, een vaste plaats in een project.

De nieuwe waterveiligheidsnormen leggen grote druk op de waterschappen om tot snelle verbetering van onze dijken te komen. Dat is te begrijpen, maar dat ontslaat hen niet van de maatschappelijke plicht om kwaliteitszorg stevig in te bedden in hun opgaven. Voor wat betreft ruimtelijke inpassing zie ik al goede voorbeelden, bijvoorbeeld de dijkverbetering Tiel/Waardenburg, waar landschapsarchitecten met een deskundigheid in waterkeringen, in de onderzoeksfase van projecten worden betrokken. Extra kosten worden daarmee vermeden en het leidt tot een integraal ontwerp: goede én mooie waterkeringen.

Maar ook een brede aanpak zou voor de hand moeten liggen. Zoals Luiten stelt: “verbinding van meerdere doelen in een integraal ruimtelijk ontwerp is vanouds de kracht van het Nederlandse ruimtelijk ontwerp”. Daarvoor is het nodig dat de waterschappen vanuit hun sectorale doelstelling serieus op zoek gaan naar meekoppelkansen voor een beter ruimtelijk resultaat. En daarbij andere partners, verantwoordelijk voor die meekoppelkansen, ook de kans geven om aan te haken. Dat gebeurt mijns inziens nog onvoldoende.

Het is jammer dat Luiten in zijn vier jaar als rijksadviseur heeft moeten werken in een periode van economische crisis, met als gevolg een terugtrekkende (rijks) overheid, de keuzes voor quick wins en versnippering van opgaven. Daarmee kwam de zorg voor ruimtelijke kwaliteit in het geding. Het adagium van sober en doelmatig was een logisch gevolg.  

Nu er de komende jaren zicht is op een bescheiden economische groei stel ik voor het adagium om te vormen naar ‘mooi en goed’ en minimaal één landschapsarchitect per waterschap aan te stellen!